Verantwoordelijkheid van de aansluitinghouder bij auteursrechtenschendingen door derden
De toerekening van auteursrechtelijke inbreuken via een internetverbinding is regelmatig onderwerp van gerechtelijke geschillen. Een opmerkelijke zaak bij de rechtbank Stuttgart (zaaknr. 3 C 2844/20) belicht de grenzen van de secundaire stelplicht van de aansluitinghouder die aangesproken wordt vanwege een vermeende auteursrechtenschending. De rechterlijke beslissing werd op 6 januari 2021 gepubliceerd (bron: urteile.news).
Vereisten aan de toelichting van de aansluitinghouder
Omvang van de secundaire stelplicht
Wanneer de houder van een internetverbinding als dader op een verbod en/of schadevergoeding wordt aangesproken wegens een vermeende auteursrechtenschending, rust op hem een zogeheten secundaire stelplicht. Deze verplicht tot een controleerbare uiteenzetting of en welke andere personen als dader van de inbreuk in aanmerking komen. De rechtbank heeft duidelijk gemaakt dat deze plicht haar grens vindt wanneer de aansluitinghouder geen verdere, van hem redelijkerwijs te verlangen kennis heeft over de daadwerkelijke veroorzaker van de inbreuk.
Geen verplichting tot onderzoek naar oproepbare adressen
De rechtbank oordeelt dat de aansluitinghouder noch juridisch noch feitelijk verplicht is het oproepbare adres van een potentiële alternatieve dader te achterhalen als hij hierover geen kennis bezit. De rechterlijke waardering baseert zich daarbij op het principe dat de secundaire stelplicht geen onderzoeksverplichting inhoudt, maar enkel verplicht tot het meedelen van bestaande eigen kennis.
Verdeling van de bewijslast in het auteursrecht
Onverdedigbaarheid van een verdergaande medewerkingsplicht
De uitspraak benadrukt dat het in principe niet aan de aangesproken aansluitinghouder is om verdergaand onderzoek te verrichten dan enkel het benoemen van mogelijke daders, zoals het achterhalen van het actuele woonadres van mogelijk verantwoordelijke derden. Een dergelijke onderzoeksverplichting vindt geen wettelijke grondslag en zou het principe van de onschuldpresumptie op ontoelaatbare wijze ondermijnen.
Reikwijdte voor de rechtsverdediging
De huidige stand van het recht voorziet erin dat de eiser – bijvoorbeeld een rechthebbende – nog steeds moet aantonen dat de aansluitinghouder zelf als dader in aanmerking komt of aannemelijk moet maken dat de beweerde inbreukshandeling aan hem toegerekend kan worden. Alleen het ontbreken van een oproepbaar adres van betrokken derden leidt niet tot een vergrote verantwoordelijkheid voor de aansluitinghouder.
Relevantie voor procedures met meerdere potentiële daders
Komen naast de aansluitinghouder ook andere personen in aanmerking die toegang tot de internetverbinding hadden, zoals gezinsleden of huisgenoten, dan beperkt de secundaire stelplicht van de aansluitinghouder zich tot het meedelen van die omstandigheden waarvan hij kennis heeft of waarvan hij kennis redelijkerwijs kon hebben. Onbekende adressen hoeven niet achterhaald of bekendgemaakt te worden als deze de aansluitinghouder onbekend zijn.
Conclusie
De rechterlijke verduidelijking voorkomt een onevenredige belasting van de aansluitinghouder in civielrechtelijke auteursrechtgeschillen en waarborgt het noodzakelijke evenwicht tussen de belangen van rechthebbenden en de rechten van privé- of zakelijke aansluitgebruikers. In procedures met meerdere mogelijke daders is echter een precieze, op de omstandigheden afgestemde uiteenzetting aan te bevelen om risico’s te minimaliseren.
Voor verdere vragen over aansprakelijkheid rondom het gebruik van internetverbindingen of bij onzekerheid over de secundaire stelplicht in civiele procedures adviseren wij om uitgebreid juridisch advies in te winnen. Uitgebreide ondersteuning voor alle aspecten van procesvoering biedt MTR Legal Advocaten. Meer informatie vindt u op Procesvoering.